Menu
0
   

Paysage du rebord mosan entre la Paix-Dieu et le village de FizeHet plateau is zelden hoger dan 200 m. Jehay-Bodegnée (203,75 m) en Villers-le-Bouillet (205 m) zijn de hoogste punten. Vanaf deze kamlijn gaat de helling van het plateau over een korte afstand van 3 à 4 km naar beneden tot het niveau van de Maas gelegen op 60 à 70 m hoogte, bereikt wordt.

Talrijke bijrivieren, zoals de beek de Bende of de Roua te Amay, snijden krachtig in deze helling van de Maas.

De Maaskant verlengt het plateau van Haspengouw tot aan de Maas, maar onderscheidt zich tevens door armere bodems, meer uitgestrekte beboste zones en een verschillend landschap. Dit is uiteindelijk ook te wijten aan het reliëf. De Maasvallei heeft een zeer verschillende economie gekend, welbewust sinds het Ancien Regime, met een bosuitbating verbonden aan de pre-industrialisatie. De uitlassingen die voor de verwerking van houtskool op de hoogtes van Amay plaatsvonden maakten de inwoners van die kleine stad vaak misselijk.

Wat de industrie betreft : die vinden we vooral in de streek rond de Maas, te Flône of te Bende, of in het gehucht Ampsin, waar zich verschillende ontginningsbedrijven hebben gevestigd. In Villers-le-Bouillet, Sart d'Ampsin, Bodegnée en Jehay, maar ook in Engis en Saint-Georges ontwikkelden zich meerdere steenkoolmijnen. Enkele, soms echt zeer kleine, steenbergen getuigen nog van deze activiteit die al een tijdje tot het verleden hoort.

Baksteen is het voornaamste materiaal van deze slibachtige bodems die de autochtonen vaak « terres à briques » (baksteengrond) noemen. Ze hebben het fortuin van enkele ondernemers gemaakt in Amay.

Maar in deze kleine valleien, en langs de oevers van de Maas, vinden we kalk- en zandsteengroeven die ook lokaal belangrijk waren in de bouw. De steenontginning en de kalkovens zouden zich vooral beperken tot de Maasstreek, waar de industriële revolutie zich het meest heeft laten opmerken.

Vignes à AmpsinDe wijngaard, verschenen in de Hoge-middeleeuwen, maakte tot aan de tweede wereldoorlog deel uit van het landbouwlandschap op de heuvels van de linkeroever van de rivier. In 1846 stonden de wijngaarden van Amay (9,58 ha) en Ampsin (5,46 ha) voor het uitgebaat oppervlak op de derde en vierde plaats na Hoei en Luik.

Aan de oevers van de Maas waren de beboste zones, die we nog op historische kaarten kunnen terugvinden, veel omvangrijker. In de 19de eeuw namen deze ontginningen nog steeds plaats. Hieruit ontstond nieuw akkerland dat bewerkt werd door nieuwe boerderijen zoals in het bos van Saint-Lambert, te Amay of te Jehay in de buurt van de boerderij van het « Koninklijke Bos ».