
|
|
|
Onder het Ancien Regime was de woning van de meeste mensen in Haspengouw en de Maasvallei een stro-leem hut met een houten geraamte. Enkel een paar hoofdgebouwen van de kwadraathoeven staken fel af tegen deze kwetsbare constructies. Men moet trouwens tot het einde van de 18de eeuw wachten om de gevels van de mooie kwadraatwoningen naar de openbare weg gericht te zien. Deze elitaire huizen namen heel vaak de stadsmodellen over die men vindt in de nabijgelegen steden, Hoei, Luik of Namen. Soms is er een oudere getuigenis, zoals die prachtige woning in Laatgotiek te Corswarem. Maar de voorliefde voor de mooie gevels verschijnt vooral in de 18de eeuw. In het dorp zijn er weinig of geen openbare gebouwen. De pastoor figureert er heel vaak als ambtenaar van de burgerlijke stand. Het is de pastorie, een soms zeer degelijk gebouw, zoals te Wanant, Haneffe of Ampsin, die dienst doet als gemeentehuis.
Het volk vergaderde dikwijls binnen of buiten de kerk. Het dorpsplein was vaak de plek waar, na kerkdiensten, de dingen werden besproken, men evenementen – al dan niet met het godsdienstig leven en het leven op het platteland te maken – vierde, en waar men gemeenschappelijke zaken beraadslaagde. Men vond er dus ook de gemeenschappelijke ruimtes, en men hoedde er zelfs zijn kudde. Geen vergelijking mogelijk met de huidige dorpspleintjes : het waren grasvlaktes met een plas in het midden die wemelde van bonte fauna uit de naburige boerderijen. Varkens, eenden, ganzen, hoenderhof baadden in die – vaak erg smerige – poel.
Men moet tot op het midden van de 19de eeuw wachten om het gebruik van de baksteen in de woningen op het platteland te zien toenemen, en daarbij de beginselen van welzijn op het gebied van de dorpswoning. Sommige vakwerkwanden werden toen ook steen gegeven in plaats van stroleem.
Een groot aantal huizen kreeg een verdieping. Verbonden aan de industriële revolutie explodeerde de bevolking, en vele gemeenten zagen hun populatie verdubbelen. Men bouwde langs de wegen, en vulde de ruimtes tussen de oude huizen in.
Sommige eigendommen werden opgesplitst en verdeeld onder de huishoudens binnen de familie, om aan de groeiende behoefte van nieuwkomers te voldoen. In bepaalde dorpen kwam er een fusie van kleine gehuchten.
Zo kreeg het plaatsje Halbosart te Villers-le-Bouillet b.v., te maken met een hele arbeiderspopulatie die ze moest huisvesten. De meesten waren nieuwkomers die werkten in de verschillende steenkoolmijnen, en zelf hun huisje bouwden, met hier en daar een kleine uitbreiding naargelang de mogelijkheden.
Naast de gebruikelijke landelijke industrieën, zoals molens, brouwerijen en stroopfabrieken leidde de invoer van de suikerbiet in Haspengouw tot het oprichten van suikerraffinaderijen, o.a. te Les Waleffes of Donceel, en tot rasperijen, b.v. te Viemme, Chapon-Seraing en Warnant.
Deze bedrijven hadden ook een groter aantal werknemers nodig. Te Oreye bestaat er bijvoorbeeld een binnenplaats vol arbeiderswoningen van werkers in de suikerindustrie.
De bevolking bleef groeien tot ongeveer 1890, toen de grote graancrisis een deel van de dorpelingen verplichtte te verhuizen naar het Luikse bekken. Een van de gevolgen van deze populatie explosie zal de oprichting van vele religieuze gebouwen, in neogotische of pseudo-romaanse stijl, zijn. Te Ampsin, Fize, Vaux-Borset, Vieux-Waleffe, Chapon-Seraing en Bodegnée brak men de oude panden af om plaats te ruimen voor nieuwe constructies. In andere dorpen werd er uitgebreid, of fel verbouwd, zoals te Haneffe en Warnant.
Ook al was de industrialisatie niet even doorslaggevend als in de buurt van Luik, toch veranderden de Maasdorpen van uitzicht. Ampsin, destijds gewijd aan de landbouw en de wijnstok, kende een belangrijke industriële ontwikkeling ten gevolge van de aluinmijnen en de kalkovens. Dit gaf Ampsin het uitzicht van een kleine voorstad. Haar « captains of industry » zullen overigens een grote invloed uitoefenen op de stedelijke ontwikkeling van het stadje in de buurt van de kern. Villa’s, kerk, huizen, brouwerij, gemeentehuis en school staan hand in hand rondom het pleintje, in dezelfde stijl, en met eenheid van materialen.
Voor de Luikse revolutie staken enkel de huizen van de elite, kanunniken of raadsleden te Amay, met kop en nek boven alles uit door hun omvangrijkheid. Sommige bouwsels getuigen van veel smaak en zijn in de zuiverste Maasstijl opgetrokken. De matiggrote kloostergebouwen vertonen in het algemeen twee praalplaatsen op het gelijkvloers en een paar kamers op het verdiep. Er is een soms monumentale poort die uitgeeft op het binnenhof. Men vindt er tuintjes, en vaak hooggelegen terrassen voor de wijngaard.
Naast de toren, opgericht door hun voorgangers, bezaten de procureurs van Amay versterkte huizen sinds de 16de eeuw. De kamers zijn niet zo hoog meer, eerder lang. Dezelfde familie startte rond 1433 een ziekenhuis in de stad, om er de « arme mensen onderdak te verschaffen en te verzorgen » (« hebergier et ahecier les poevres gens »).
In de 19de eeuw stonden de huizen in het centrum van Amay tegenover die van de seizoenarbeiders en de baksteenwerkers. De groei van de bevolking zorgde voor problemen op het gebied van hygiëne, des te meer de straten vol modder, mest en vies lagen. Algemene nutsvoorzieningen op het gebied van water en diens afvoer bleven onvoldoende ; het besmette water bleef lang de grootste verspreider van cholera.
In de dorpen stonden grote hoeven zij-aan-zij met luxueuzere huizen die onderdak boden aan verrijkte plattelandsbewoners. Sommige hielden nog steeds vast aan een traditionele stijl met het gebruik van kalk in de nissen en geketende hoekstenen. Anderen waagden zich aan historische stijlen als Neoklassiek, Pseudo-romaans of het Neoclassicisme.
Deze stijlen werden overigens ook in burgerlijke bouwwerken overgenomen. Tijdens de Franse overheersing wordt een modernisering van de administratie doorgevoerd, en zijn de oude heerlijkheden en leefeenheden vervangen door stadhuizen – later gemeentehuizen – waar burgemeester en schepenen zetelen. Het onderwijs zal ook beginnen te bloeien ; scholen worden eindelijk georganiseerd en men richt beter aangepaste lokalen op.
In dorpen ontstaat ook een nieuwe bourgeoisie afkomstig uit de liberale beroepen. Villa’s worden een beetje overal gebouwd, vele in een bijzondere stijl : het Eclecticisme. Het gaat hier om een mengeling van elementen die zowel tot de middeleeuwse traditie als tot de barokke of de klassieke periode behoren. Het doel van deze architectuur was zich te onderscheiden van het gewone volk. Het was een manier om extravagant te bouwen : men wilde aantonen dat men geslaagd was ! In alle gemeenten vinden we dergelijke villa’s terug, ooit het eigendom van een notaris, een arts of een industrieel.
De gebouwen van het gemeentehuis van Amay, overgenomen van particulieren, zijn bijzonder betekenisvol omdat een van de twee villa’s toebehoorde aan de Vieille Montagne, die er zijn directeur ondergebracht had, en de andere aan de baas van een metselaarsbedrijf. Meer stromingen beïnvloedden deze burgerhuizen nog, inbegrepen Art Nouveau en Art Deco. Maar deze invloeden zouden eerder zeldzaam blijven.
Laten we de vier prachtige huizen, Rooseveltsesteenweg 34 tot 40, te Amay, eens onder de loep nemen. Ontworpen in 1914 door Marechal, werden ze pas volledig afgewerkt na het overlijden van de architect in de eerste wereldoorlog. Marechal gebruikte plantenmotieven volgens de Art Nouveau optiek. Wij zien inderdaad aardewerk tegels met bloemmotieven in het timpaan van vensters, en namen van bloemen – margrieten, rozen, lelies en blauwe regen – als verwijzing naar de villa. De verschillende verdiepingen worden onderscheiden door lint van geëmailleerde en gekleurde baksteen. Ook de balkons en het gekleurde glas, evenals de uitsnijding van het dak, dragen bij om cadans en luchtigheid te geven aan de voorgevel.
De uitbreiding van de burgerlijke woning zal niet gebeuren zonder aandacht voor de gigantische arbeidersmassa. In het begin van de opwaartse beweging van de arbeiderspartij zal de industriele revolutie, later de socialistische partij, sociale hervormingen aanvragen. Hierdoor ontstaat een belangrijke infrastructuur met de coöperatieven of de volkshuizen. Deze laatste, jammer genoeg wat in onbruik geraakt, promoveerden opvoedingsprojecten voor de arbeiders. Ingenomen het Villers-le-Bouillet project – met een feestzaal later opgenomen in de Europese inventaris – en dat een bibliotheek, vergader- en bioscoopzalen had voorzien.
De wegen en de communicatiemiddelen stonden moderner transport toe. De spoorwegen boden de vallei hun eerste stations. Maar de dorpen bleven niet achter omdat een netwerk van buurtspoorwegen de regio met zijn infrastructuur doorkruiste. Steenwegen verbonden de steden met elkaar, en hielpen enkele dorpen uit hun isolement. Al deze veranderingen hebben beslist sporen nagelaten in het landschap van onze streek.
Op bepaalde ogenblikken had men het steeds vaker over de « suburbanisatie ». Regio Haspengouw-Maas is op de « Waalse ruggengraat » gelegen, en de autosnelweg van Wallonië loopt er dwars door. Daarbij ontstaat een zekere economische ontwikkeling want meer en meer bedrijven kiezen voor commerciële ruimtes in de buurt van snelle wegen. Maar deze industrieën slokken de ruimte ook op ; gelukkig heeft men gereageerd door het opleggen van woon-, landbouw- en industriezones. Vandaag de dag worden de streekaanleg plannen herzien, inbegrepen het behoud van landschappelijke zones dat moet worden toegepast. Erfgoedbewustzijn maakt ook deel uit van de Waalse politiek ; een eerstkomende inventaris wordt opgesteld met een beleid eerder gericht naar de architecturale gehelen en hun omgeving dan naar een bepaald gebouw.
Ondanks alles moet men nog veel moeite doen om een zekere druk op het wegennetwerk binnen het woongebied te vermijden. Het lijkt erop dat men, in onze regio, verplicht is te kiezen tussen een wilde verstedelijking en een politiek van ruimtelijke ordening die de identiteit van de dorpen respecteert.
|
|
|