
|
|
|
De oudste sporen van woningen die men in Villers-le-Bouillet heeft teruggevonden bestaan uit een romeinse villa die men heeft ontdekt en opgegraven op de landerijen van Trou. Onlangs nog heeft men een diverticulum blootgesteld dat waarschijnlijk de villa verbond met een belangrijke steenweg.
De parochie van Saint-Martin is zeer oud en ongetwijfeld oorspronkelijk afkomstig van een domaniale kapel die gebouwd werd tijdens de Karolingische periode. De eerste aantekening in verband met het dorp dat men heeft teruggevonden dateert van 1046, jaar waarin de graven van Leuven het domein Villers aan de bisschop Wazon gaven. Deze voegt het bij het kapittel van Saint-Barthélemy te Luik, die heer wordt van het dorp en dit blijft tot aan het einde van het Ancien Régime. Hij behoud ook de dwangrechten op een brouwerij en de molen die zich te Haidon bevindt. Hij beheert ook vele terreinen vanuit twee hoeves en heeft tienden op een groot deel van de gronden van het dorp. Andere abdijen zoals: Neufmoustier, Aulne en Paix-Dieu en enkele wereldlijke heren (de avoués van Amay) ontginnen landbouwgronden vanuit een dorpshoeve. De meeste van die hoeves zijn gegroepeerd rond de kerk die het centrum vormt van het dorp. Maar sommige, zoals de hoeve van ‘la Kiviétrie’, gecreëerd door de kanunniken van Neufmoustier te Huy, bevinden zich even buiten het dorp. Soms liggen deze aan de oorsprong van nieuwe gehuchten.
De Saint-Martin kerk is zo oud als zijn patroniem ons kan getuigen. Deze kerk is gebouwd op een van de hoogste punten van het dorp en vormt de hoofdzetel van een primitieve parochie waar andere kapellen van de omliggende dorpen van af hangen. Zijn toren en vroeger ommuurde kerkhof wijzen op zijn defensieve karakter en vormde vroeger dan ook een beschuttingplaats voor de gemeenschap. De huidige kerk omvat verschillende volumes: hoe later ze werden toegevoegd aan het geheel, hoe kleiner. Het oudste gedeelte van de kerk is het koor dat werd verhoogd, waarvan het centrale deel uit de 13de eeuw afstamt. Een achthoekige pijl, gebouwd in 1530, stijgt boven de toren uit.
Men gaat binnen via een rondboogportaal bekroond door een schuin ingediept venster. De kerk bestaat drie beuken met elk drie traveeën. De zijbeuken hebben veranderingen ondergaan aan het begin van de 17de eeuw. De Saint-Martin kerk werd gebouwd met inheems gesteente, zandsteen en kalkgesteente. Dit geeft het massieve en rustieke karakter weer dat kenmerkend is voor vele parochiale kerken uit Haspengouw.
De pastorie werd gebouwd naast het oude kerkhof, met blokstenen van zandsteen en verhoogd met een verdieping in bakstenen. De scheidingslijn tussen de twee bouwmaterialen tekent een schuinte die was voorbestemd om te worden bedekt met een strooien dak. De pastoor werd benoemd door de kanunniken van Saint-Barthélemy. Een terrein van 7 bonniers (1 bonnier = 87 aren) werd bij zijn dienst bijgevoegd.
De hoeve, naast de kerk gelegen, heette vroeger Périlleux, zoals een van de vroegere eigenaren, procureur van Amay. Deze ridderlijke familie, bezat de hoeve reeds in 1386. De gebouwen zoals we die vandaag kunnen bezichtigen, dateren van de 18de eeuw. Het bestaat uit een gesloten vierkant waarvan de gebouwen aaneensluiten. Men komt binnen langs een portaal-slottoren, verhoogd met een duiventil gericht naar het dorp. Een tweede poort aan de andere kant van het erf laat toe het erf te verlaten met de landbouwvoertuigen zonder al te veel manoeuvres.
Het woonhuis bestaat uit twee delen en twee verdiepingen in Maaslandse stijl. De architectuur van deze woning toont de invloed van de meer stedelijke woonsten en herenhuizen. Een prachtige schouw in stuc en rocaille-stijl vertalen de esthetische vereisten van de boer.
Een monumentale schuur, evenals een reeks zwijnenstallen, paarden-en koeienstallen dienen als infrastructuur voor het vee. Vroeger stond er, in plaats van een bijgebouw dat diende als opruimplek, een huis waar de landbouwarbeiders en bedienden werden ontvangen.
In hetzelfde geheel, gelegen aan de grote weg, vinden we de opzienbarende gevel terug van ‘la ferme Deschene’. Ze bestaat simpelweg uit vier traveeën en is het resultaat van een subtiel samenspel tussen kalk- en baksteen. Tijdens de 19 de eeuw werd de hoeve heringericht met rechthoekige vensters met behoud van de overblijfselen van de vorige openingen. Loodrecht tegenover het woonhuis, werd in de 17de eeuw een andere constructie gebouwd in bak- en kalksteen. Dit bouwsel werd sterk bewerkt tijdens de 18de en 19de eeuw.
Aan de uitgang van het dorp, langs de chaussée de Waremme, bestaat de Ferme de la Dîme reeds in 1365 maar onder een heel ander aspect. Ze behoort toe aan het kapittel van Saint-Barthélemy. In de 18de eeuw wordt ze verpacht aan de dorpsbewoners die er een oppervlakte bewerkten van 54 bonniers en 18 grote verges (1 grote verge = 435,89 m²) en 11 kleine verges (1 kleine verge = 21,79 m²). Ze bestaat uit een schuur, paardenstallen, een wagenplaats en stallen onder de hooizolder in het verlengde van het woonhuis. Voor de wijzigingen aangebracht in 1744, bestond er een opening voor karren en wagens in de schuur die uitgang bood aan de buitenzijde van het vierkant.
Bijna tegenover de Dîme hoeve bevindt zich la ferme de la Croix. Zij maakt ook deel uit van de historische hoeves van het dorp. Haar naam dankt ze aan het kruis dat werd opgericht daar waar de wegen van Waremme en Vinalmont elkaar kruisen. Dit kruis werd voor het eerst genoemd in een akte uit 1452. De hoeve behoort toe aan een lid van de nieuwe toenemende klasse, de plattelandse aristocratie, een zekere Libillon de Temples. De ferme de la Croix werd deels vernield door gevechten van de achterhoede tussen Spaanse en Franse soldaten tijdens een van de vele bezettingen van de citadel van Huy. Heden ten dage zijn de gebouwen verdeeld in twee delen door een huis uit het begin van de 20ste eeuw. Men komt binnen door een slottoren poort, met ingebouwde duiventil. Het woonhuis heeft twee verdiepingen en vijf traveeën en werd gebouwd omstreeks 1720. De voornaamste gevel geeft uit op de tuin, het weiland. Het centrale vak werd verhoogd met een driehoekig fronton.
De hoeve 'du chapitre', lichtjes afgelegen van de weg naar Vinalmont, behoort toe aan Saint-Barthélemy. Tijdens de Middeleeuwen, werden de eigendommen van het kapittel ter plaatse beheert door een villicus, een staats-agent. Later werd de hoeve verpacht aan de familie delle Préalle. Zijn ploegwerk telt ongeveer 103 bonniers in 1704.
Het is voornamelijk de oudheid die deze hoeve architecturaal interessant maakt. Het woonhuis dateert van de 17de eeuw. Het beschikt over een minimaal aantal openingen wat scherp in contrast staat met de andere hoeves uit de 18de eeuw; zoals de “ferme des avoués”of ‘ferme de la Croix’. De schuur is gedateerd met een opschrift in het timmerwerk van het geraamte: 1659. Ze heeft vele herstellingen ondergaan. De materialen die hiervoor werden gebruikt zijn een waar inventaris van wat de streek op het gebied van materialen te bieden heeft.
De hoeve ‘kiviétrie’, even buiten de dorpskern gelegen, is een oude hoeve die werd beheerd door de werkbroeders van de abdij van Neufmoustier vanaf begin van de 12de eeuw. Men beheerde de hoeve op verschillende manieren: de broeders bewerkten de grond zelf; de grond werd verpacht of men verpachtte het halve gewas. Aan het einde van de 18de eeuw, ontgint men steenkool in de directe omgeving van de hoeve. Het merkwaardige architecturale geheel van deze hoeve is waarschijnlijk juist te danken aan de diversiteit van al deze activiteiten. Naast de oude hoeve heeft men een neoklassieke woonst bijgevoegd die zonder twijfel toebehoorde aan een voormalige directeur van de kolenmijn. De gevel van dit verblijf bestaat uit zeven traveeën, waarvan drie uitgestoken, en is verhoogd met een fronton met daarin een dakvenster. Achter het kasteel bevinden zich de overblijfselen van een oude hoeve waarvan sommige delen dateren uit de 17de eeuw. De kleine woonst bestaande uit twee verdiepingen en drie traveeën, werd gebouwd op oudere grondmuren in baksteen en leisteenachtig zandsteen. Een brede schuur heeft een opening in korfboog.
Villers-le-Bouillet, dat grotendeels uit hoeves gegroepeerd rond de dorpskerk bestaat, behoud zijn rijke landelijke karakter. Spiegeling van het landelijke gemeengoed en de architecturale werken die de veranderingen en evolutie hebben bijgestaan.
|
|
|