TijdlijnDe gemeenten van Haspengouw en MaasArcheologie selected
Geschiedenis
Een streek in het hart van de Europese geschiedenis
Toeristische dienstenGroepsuitstapjesWandelen en FietsenMusea selected
Toerisme
Een kwaliteitsvol toerisme in een gastvrij land
VerscheidenheidHoevenLandschappen selected
Erfgoed
Een land, echt beeld van het Waalse erfgoed

Winningindustrieën in de Maasvallei en de Haspengouw

Industriële ontwikkeling van de Maasvallei

Vóór de Industriële Revolutie was de Maasvallei bezaaid met dorpen die deels van de landbouw leefden en deels van de industriële nijverheid, met uitzondering van de hellingen, waar men leefde van de bos- en wijnbouw. Op het platteland werd vooral graan verbouwd. Dit verklaart waarom de agro-alimentaire industrie vooral gesitueerd was in valleien rond kleine waterlopen, zoals de Bende in Ampsin (brouwerij, molens, distilleerderij).

Tegen het einde van de 16de eeuw ontstaan de eerste aluin- en koolmijnen. De industrie komt echter pas volledig tot ontwikkeling in de 19de eeuw. Verschillende gemeenten, waaronder Ampsin, Flône, La Mallieue en Engis, hebben hun industriële uiterlijk te danken aan deze periode.

In deze periode maken Ampsin, Saint-Georges, Flône en Amay, onder de impuls van de familie de Lamine een fenomenale economische groei door, gebaseerd op de winning van stenen, klei, aluin en steenkool.

Steenbakkerijen en keramiek

Steenbakkers, Amay Amay telde ook verschillende steenbakkerijen onder het beheer van de familie de Lamine. De stenen werden gebakken op verschillende plaatsen: 'entre-deux falaises', het bos van Sart, de berg van Ampsin en de velden van Monleva. Deze nijverheid bood werkgelegenheid aan grote delen van de plaatselijke bevolking, alsook die van het naburige Amay. De steenbakkers ('brik'teux') waren tot in het verre Rusland bekend om hun vakmanschap. In Amay herinneren de twee dorpsfeesten van 1 mei en oktober aan het vertrek en de terugkeer van de seizoensarbeiders, die maandenlang naar het buitenland vertrokken om daar te werken.

Bakstenen waren niet het monopolie van de Maasvallei, want ook in Haspengouw werden jaarlijks grote productiecijfers gehaald. Buiten het seizoen trok de meester-bakker door het land om de beste kleigronden te zoeken. Vervolgens organiseerde hij ter plaatse de nodige werken en regelde de komst van al het benodigde materieel plus de arbeiders, die in de onmiddellijke omgeving werden ondergebracht.

In Amay wordt de NV La Nouvelle Céramique opgericht. Door de aanzienlijke investeringen en de expertise van de arbeiders neemt de NV niet alleen in België, maar ook in het buitenland al gauw een belangrijk marktaandeel voor haar rekening, vooral aan de Atlantische kust, Mexico en Quebec.

Aluinwinning

Aluinwinning In het Maasgebied bevat de bodem ook aluinschalie. Deze grondstof bevindt zich gewoonlijk tussen kalksteen- en steenkoollagen. Aluinmijnen ontstaan in de 19de eeuw. Aluin fixeert kleurstoffen in textiel, het heeft medicinale functies en wordt ook in de agro-alimentaire industrie gebruikt. Tussen Huy en Flémalle zien we in het landschap nog ‘rode aarde’, d.i. resten van de aluinindustrie. In Ampsin en Amay (Loyable, Walhairon en Rémont) worden verschillende aluinmijnen uitgebaat, onder andere door de familie de Lamine. In totaal zijn 162 arbeiders werkzaam in de aluinwinning. In Flône, Hermalle (aluinmijn van Vivegnis), La Mallieue (Le Dosquet), Saint-Georges en Warfusée (aluinmijn van Le Dos) en Engis (aluinmijn van Les Fagnes en die van Gibouhis) wordt eveneens aluin gewonnen. De exploitanten zijn meestal industriële ondernemingen, burgers of adellijke personen (de graaf van Oultremont), maar soms ook religieuzen. De abdij van Flône heeft bijvoorbeeld tijdens het gehele Ancien Régime een belangrijke rol gespeeld in de winningsindustrie. Aan het begin van de 19de eeuw werken er per aluinmijn ongeveer 100 tot 140 mensen. Tegen 1846 is de sector echter danig achteruitgegaan doordat goedkopere, buitenlandse aluin zijn weg naar de Belgische markt vindt. Een aluinmijn als die van Vivegnis telde begin 19de eeuw 88 arbeiders, terwijl dat er in 1834 nog maar 4 waren, die wat hulp kregen van enkele vrouwen.

Zink, lood, mergel, de chemische industrie en kalk

Na het einde van de aluinindustrie ontstaat in de Maasvallei een sterke chemische industrie. Drie grote ondernemingen staan symbool voor deze ontwikkeling: Vieille Montagne in Flône, de fabrieken van Corphalie en de lood- en zinkfabrieken van NV Nouvelle Montagne in Engis.

In sommige Haspengouwse dorpen wordt ook mergel en fosfaat gewonnen, met name in Vaux-Borset. In deze gemeente werd ook de schrijver Joseph Durbuy geboren, die verschillende toneelstukken situeert in bedrijven in zijn dorp.

De oude ijzererts- en zinklagen werden al in de 13de eeuw geëxploiteerd door de abdij van Flône. Als de abdij wordt opgeheven, koopt een van de kanunniken de mijnen en omliggende landerijen op. In 1844 richt Louis Bronne de SA de la Grande Montagne op, samen met Belgische en Franse medevennoten. De SA bouwt zinkovens en een keramische werkplaats voor het maken van smeltkroezen. In 1850 gaat de SA failliet, maar twee jaar later is er een nieuw begin, in de vorm van SA Vieille Montagne, een onderneming die tot 1979 zal voortbestaan.

De metaalindustrie (in deze streek: ijzererts, zinkgalmei en lood, maar vooral zink), komt tot bloei door een productieprocédé dat werd ontwikkeld door de Luikenaar Dony. In 1828 wordt de onderneming Métallurgique d'Engis opgericht voor de exploitatie van zink in de Maasvallei. In 1845 gaat de fabriek van Engis relaties aan met andere bedrijven: La Nouvelle Montagne ontstaat. Eind 19de eeuw wordt in Haspengouw fosfaat ontdekt. Niet veel later begint Nouvelle Montagne met de productie van kunstmest. In 1938 verandert Nouvelle Montagne van naam en vormt de Société Métallurgique de Prayon. Vanaf dan concentreert de groep zich op haar chemische activiteiten.

Kalkovens, Saint-Georges De vallei is bijzonder rijk aan steenhoudende materialen en aan kalksteen. Een groot gedeelte van de kalksteen belandt in de kalkovens, die bijzonder welvarend zijn dankzij de nabijheid van de rivier. Stenen worden gewonnen voor de bouwsector en gebruikt in overheids- en private gebouwen.

De kalkovens markeren een keerpunt in het industrieel verleden van de vallei. In 1548 werd volgens de parochiale registers in Ampsin reeds een kalkoven uitgebaat. In 1856 laat de gemeente Ampsin haar eerste oven bouwen. 1873 bouwt een licentiehouder op eigen kosten een tweede oven voor de gemeente. De bekendste exploitanten zijn Lhoist en Dumont. Laatstgenoemde legt in 1890 handen op de gemeentelijke steengroeve van Ampsin. Hij huwt met Caroline Wautier en noemt zijn onderneming vervolgens Dumont-Wautier; zijn bedrijf is ook nu nog actief. In samenwerking met de familie de Lamine wordt een derde kalkoven gebouwd aan de voet van de rotsen van het kasteel, langs de rue de Bende.

Tegen 1900 koopt Dumont het domein La Mallieue en laat er 6 kalkovens bouwen. Tijdens het Interbellum groeit de onderneming hand over hand door haar deelname in verschillende steengroeven. In 1951 neemt het bedrijf een hydrateringsfabriek in gebruik in Ampsin. Twee jaar later wordt het uitlaadprocédé volledig gemechaniseerd. Een indrukwekkend moderniseringsplan brengt de stillegging van de oude ovens van Hermalle met zich mee, ten gunste van twee moderne trommelovens. In 1962 neemt de onderneming in Hermalle nog een trommeloven in gebruik, en in 1967 een vierde in Ampsin.

Buskruit

Société Hilgers start in Clermont een buskruitfabriek. In 1850 verkrijgt de onderneming via een Koninklijk Arrest de toelating om buskruit te produceren. Gérard Hilgers was reeds sinds 1819 vennoot in een andere buskruitfabriek in de regio, in Fond d'Oxhe. In 1862 begint Compagnie Müller in Engis een lontfabriek. In 1872 neemt ze ook de Société Hilgers over. De fabriek in Clermont zal tot 1962 verantwoordelijk zijn voor de productie van 400 ton buskruit per jaar, plus lont, draden en kabels.

In 1919 wordt Compagnie Müller opgenomen in de Poudreries de Belgique (PRB). PRB wordt in 1990 opgedoekt en de site van Clermont wordt opgekocht door een Frans bedrijf genaamd SNPE. In 1995 biedt de onderneming werkgelegenheid aan 125 mensen en staat garant voor een productie van 1000 ton buskruit per jaar, en 10.000-15.000 leibussen.

Steenkoolwinning

Steenkoolmijn, Villers-le-Bouillet In 1195, in de annalen van de abdij van Saint-Jacques in Luik, wordt voor het eerst gewag gemaakt van de winning van 'terra nigra', ofwel zwarte aarde in Haspengouw. Zwarte aarde wil hier zeggen: steenkool. Tussen het einde van de Middeleeuwen en het begin van het Ancien Régime hebben verschillende documenten het over uitgravingen tussen de velden van de abdij van Paix-Dieu en die van Polet in Antheit. De religieuze orden van de abdijen van Flône en van Paix-Dieu waren de eerste exploitanten van de steenkoollaag die in onze streek op verschillende plaatsen aan de oppervlakte kwam.

Voor de Industriële Revolutie werd steenkool gewonnen door dagbouw ofwel door mijnbouw, met ondergrondse gangen die begonnen in een veld of in de flank van een helling. Tegen het einde van het Ancien Régime vinden we uitgravingen en kleine steenbergen verspreid door de hele omgeving van Villers: niet enkel in Cabendes en Halbosart, maar ook in Marexhe/Barbotte, achter de tuinen en richting Fays. Sommige van deze steenbergen zijn nog zichtbaar, ook al zijn ze nu begroeid met bomen. Men vindt ze in de buurt van Paix-Dieu.

In de 19de eeuw, nadat de landerijen van de kerk als nationale goederen zijn verkocht, blijven er vier belangrijke steenkoolwinningsgebieden over: Halbosart, Kiviétrie, Paix-Dieu en Villers-le-Bouillet.

In dezelfde periode was de stoommachine in Villers al in gebruik om het grootste probleem in de ondergrondse steenkoolwinning tegen te gaan: het opvoeren van het grondwater.

De 19de eeuw is getuige van verschillende fusies. Eerst wordt de concessie van Paix-Dieu rond 1840 toegevoegd aan Halbosart. In 1899 heeft Kiviétrie niet meer de middelen om te investeren in materieel. De mijn fuseert met die van Halbosart. Al deze concessies worden in 1922 opgenomen in de SA des Charbonnages de la Meuse, die ook verantwoordelijk is voor de steenkoolwinning van het Sart-kasteel in Ampsin. In 1930 worden alle winningsactiviteiten stilgelegd. De put van Bellevue was op dat moment 300 meter diep.

Steenkoolindustrie in Saint-Georges Saint-Georges kent tijdens de 19de eeuw ook een groeiende steenkoolindustrie, dankzij de opvoertechniek en het gebruik van pompen. Tijdens de 17de euw stonden drie mijnschachten in voor de verwarming van het kasteel van Warfusée. De familie d'Oultremont breidt de exploitatie uit. De graaf is niet enkel meer tevreden met het ontvangen van de rechten op zijn land en neemt het beheer gedeeltelijk op zich.

Onder het Hollandse bewind, in 1820, tellen we 3 steenkoolmijnen met 75 arbeiders, waaronder 40 vrouwen en kinderen. De putten worden pas aan het begin van de 20ste eeuw gesloten. In 1921 wordt de mijn 'La Surface' gesloten. In 1925 ondergaat de mijn 'A la Noiset', in Tincelle, hetzelfde lot.

In 1954 hernam de SA des Charbonnages de la Meuse in onze streek haar winningsactiviteiten over een lengte van 1500 m, niet ver van Paix-Dieu, maar de steenkoolmijn werd niet lang daarna weer verlaten.

De steenkoolmijnen van deze streek zijn nooit zo succesvol geweest als degene in de buurt van Luik. Ze waren veel minder talrijk en er werkten veel minder arbeiders. De steenkoolmijnen leven wel voort in het geheugen van de inwoners van de streek. Ze herinneren zich maar al te goed de aanwezigheid van steenbergen in het landschap. In verschillende dorpen zijn ook nog kleine arbeiderswijkjes te vinden, waarvan de architectuur goed bewaard is gebleven.

Brochures | Links | Partners | Fotogalerij | Gids