
|
 |
,
Donceel
(Haneffe)
|
De parochiekerk van Saint-Pierre werd gebouwd op een vooruitstekende heuvel naast de kasteelboerderij van de vroege lokale adel, en de 18de-eeuwse pastorij. Deze kerk vormde vroeger met het kasteel een ware vesting, omringd door slotgrachten en muren. Je kunt de kerk bereiken langs een pad door de velden. Ernaast ligt het oude kerkhof, met enkele mooie grafstenen uit de 17de tot de 19de eeuw.
Voordat deze kerk er stond, bevond zich op deze plaats een kapel van de plaatselijke machthebber, die ook de bevoegdheid bezat om de pastoor te benoemen (dit recht werd hem toegewezen in de oprichtingsakte van het dorp in 911). De huidige kerk dateert van 1091, oprichtingsjaar van de abdij van Flône. De abdij draagt ook mede de verantwoordelijkheid voor het kiezen van de pastoor. Het bewijs hiervan vinden we in een document waarin Henri de Verdun (bisschop van Luik) de oprichting van de abdij van Flône goedkeurt en bij de bezittingen van de abdij ook de kerk van Haneffe noemt: 'het zesde gedeelte van Hunafia met bijbehorendheden geldig voor het dorp en de kerk'.
Het gebouw wordt rond 1229 heropgebouwd. In 1253 staat de belangrijkste rechthebbende van de kerk, de heer van Haneffe, zijn rechten af aan de cisterciënzer abdij van Val Notre-Dame in Antheit. Vanaf dan woedt er een verhitte strijd tussen de heer en de zusters van de abdij, over het verkiezen van de pastoor. Deze situatie duurt ongeveer een eeuw voort. Tegen het einde van de 16de eeuw worden verschillende pastoors benoemd door de heer van Haneffe, ondanks protesten van de abdis. Nadien lijken de benoemingen elkaar af te wisselen. De kerk was bevoegd over drie kapellen: die van Seraing-le-Château, van de commanderij van Haneffe (tempelierskapel) en die van Stier in Donceel (vroeger gelegen aan de rue de Stier 53, gebouwd in de 16de eeuw en afgebroken kort na het jaar 1824).
In 1595 telde de parochie (in Haneffe en Stier) ongeveer 300 communicanten, wat overeenkomt met ongeveer 450 parochieleden.
Tijdens de Franse overheersing werd de kerk gesloten. In 1798 werd een arrest uitgevaardigd door het Directoraat, dat alle pastoors uitsloot die hadden geweigerd de eed van haat af te leggen tegen het koningschap. De kerk werd pas in 1803 weer gebruikt voor de cultus.
De kerk van Haneffe zag er in die tijd 'somber en onordelijk' uit. Een verontwaardigde getuige uit 1833 beweerde dat dit de meest onbetamelijke kerk van het kanton was! Er werden ingrijpende werken uitgevoerd, zonder enig respect voor het behoud van de oudere gedeelten van het gebouw.
Tegenwoordig vinden we maar weinig originele elementen in de kerk terug. Het strenge uiterlijk van de vierkanten toren aan de noordkant is het oudste en meest interessante gedeelte. De toren is volledig gebouwd in kalksteen en gaat grotendeels terug tot in de 14de eeuw. De noordzijde bevat een gedenksteen uit 1593, met de wapenschilden van Loys de Mirbicht en Marie de Mérode, de toenmalige heren van Haneffe. Het lijkt er dus op dat de toren in die tijd werd herbouwd, op kosten van de heren van het dorp. De toren, het koor en twee grafstenen in de kerk zijn sinds 1957 geklasseerd als monumenten.
De huidige hoofdbeuk dateert uit de 18de eeuw, maar heeft nadien nog twee grondige operaties mogen ondergaan: in 1838 werd de kerk aangepast aan de klassieke stijl en in 1895 aan de neo-gothische stijl, volgens de plannen van de Luikse architect Edmond Jamar.
Het koor werd op aanwijzingen van Jamar volledig heringericht, op basis van de oude fundamenten uit de 16de eeuw. Hij voorzag ook vijf neo-gothische vensteropeningen met spitsbogen. Baron Ernest de Mirbich, een telg van de oude heren van Haneffe, liet kort na de verbouwingen prachtige glasramen plaatsen in deze vensteropeningen.
Een groot schindelgewelf, gedeeltelijk polychroom, overspant sinds 1896 de hoofdbeuk. "Het interieur is vooral interessant vanwege de grafstenen. We zien in de hoofdbeuk het kruis van het graf van Toussaint Wesmail uit 1693 en dat van Jenne Hecter uit 1738. In een zijbeuk vormt de grafsteen van Godfroid de Mirbach (1536-1557), met daarnaast die van zijn twee echtgenotes (Isabelle de Falloise, 1552, en Anne de Wihogne), een opmerkelijke aanwezigheid." Inderdaad, het is een prachtig werk in zwarte kalksteen. De drie gebeeldhouwde figuren in bas-reliëf worden uitgebeeld volgens de iconografische traditie van de Renaissance: volledige portretten, met de handen gevouwen en hun mooiste kleren aan. Hun wapens zijn ook uitgebeeld, verspreid over twaalf kwartieren.
|
|
|